Tien redenen waarom Genesis 1-11 geschiedenis is

Er zijn vele redenen waarom we Genesis 1-11 als geschiedenis moeten lezen. Hieronder volgen er tien.

1. De zes dagen van de schepping begonnen met een morgen en eindigden met een avond (Gen. 1:5, 8, 13, 19, 23, 31). Dat is een aanwijzing dat hier sprake is van dagen van 24 uur zoals we die nu ook kennen.

2. In de verzen Gen. 1:5, 8, 13, 19, 31 en 2:3 wordt het woord “dag” voorafgegaan door een rangtelwoord. Ook dit is een aanwijzing dat er sprake is van een normale dag. Paulus verwijst in 1 Kor. 4:6 naar de eerste scheppingsdag als een gebeurtenis die echt heeft plaatsgevonden.

3. In Gen. 1:14 lezen we dat de hemellichamen dagen maar ook de jaren bepalen.

4. De zes scheppingsdagen worden gevolgd door de rustdag op de zevende dag. Dit patroon staat model voor de zes dagen werken en de rustdag op de zevende dag (Ex. 20:8-11).

5. Het woordgebruik in Genesis 1-2:3 is een sterke aanwijzing dat hier sprake is van geschiedenis, zoals Dr. Steven Boyd heeft laten zien.

6. Adam en Eva komen we in de rest van de Bijbel, zowel in het OT (Gen. 2-5; Deut. 32:8; 1 Kron. 1:1; Job 31:33) als het NT (Matth. 19:4-6; Mark. 10:6-8; Luk. 3:38; Rom. 5:12, 14, 17; Kor. 15: 22-45; 2 Kor. 11:3; 1 Tim. 2:13-14 en Judas 14), tegen als mensen die echt geleefd hebben. De zondeval is voor Paulus geen mythe, maar echt gebeurd.

7. Paulus vergelijkt de eerste Adam met de tweede Adam, dat is Christus. De eerste Adam heeft de zonde en dood in de wereld gebracht. Beide zijn voor Paulus mensen die echt op deze aarde geleefd hebben. De tweede Adam brengt door Zijn dood aan het kruis vergeving van zonden en het eeuwige leven. Als de eerste niet echt heeft bestaan, hoe weten we dan zeker dat de tweede wel echt heeft bestaan?

8. De apostelen Paulus en Petrus verwijzen naar de schepping als een historische gebeurtenis (Rom. 1:20 en 2 Petr. 3:4). Paulus schrijft dat Gods “onzichtbare eigenschappen vanaf de schepping der wereld zichtbaar zijn in Zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar.” Deze woorden zijn begrijpelijk als de mens op de zesde dag geschapen is, vlak na het begin van de schepping. Maar ze zijn moeilijker te begrijpen als de mens pas na vele miljarden jaren sinds het eerste begin op het toneel verschijnt.

9. In Gen. 3 lezen we van de slang. Naar deze slang verwijst Joh. 8:44 als de vader van de leugen, en Openb. 12:9 en 20:2 als de duivel. Het NT ziet de slang kennelijk als een dier dat echt bestaan heeft en de eerste mens tot zonde heeft verleid.

10. In Gen. 6-8 lezen we van de zondvloed, de catastrofale wereldomvattende overstroming. De rest van de Bijbel, het OT (1 Kron. 1:4; Jes. 54:9; Ez. 14:14, 20) zowel als het NT (Matth. 24:38, 39; Luk. 17:26-27; Hebr. 11:7; 1 Petr. 3:20; 2 Petr. 2:5, 3:6) verwijzen naar Noach als een persoon die echt geleefd heeft en de zondvloed als een gebeurtenis die echt heeft plaatsgevonden. Net als in de apocriefen (4 Ezra 3:11; Tobit 4:13; Jezus Sirach 44:18-19). Sterker nog, de zondvloed is in de brieven van Petrus een beeld van het komende, laatste en eeuwige oordeel!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *