Studiedag “Kerk en homoseksualiteit” (16-11-2018, Nijkerk)

Gisteren mocht ik aanwezig zijn op de studiedag “Kerk en homoseksualiteit” in Nijkerk, georganiseerd door AKZ+. Diverse lezingen en discussies. Verslagen van deze studiedag zijn te lezen in zowel het RD als het ND.

Persoonlijk vond ik de studiedag inhoudelijk gezien wat teleurstellend. M.n. van de conservatieve hoek had ik in het uitdragen van het conservatieve standpunt wat meer verwacht.

Er werd een uitspraak van dr. Graafland aangehaald: “Ik wil alleen nog in alle oprechtheid zeggen, dat de homofiele mens, met alles wat er aan nood in zijn of haar leven te vinden is, mij zeer ter harte gaat. Menselijk gevoeld, zou ik dolgraag willen, dat de Bijbel mij de mogelijkheid zou geven om de homosexuele relatie te legitimeren. voor zover ik het zien kan, is dat niet zo“. Drs. J. Mudde vat het als volgt samen: “Persoonlijk gunnen wij homo’s van harte een homoseksuele relatie, helaas echter verbiedt de Bijbel het” (geciteerd uit bron 1, p. 76-77). Deze uitspraak komt sympathiek over maar schuilt er geen groot gevaar in uitspraken als deze? Hoe kunnen we iemand iets gunnen wat de Bijbel uitdrukkelijk verbiedt? Hoe kunnen we iemand iets gunnen waarvan Gods Woord zegt dat het zijn toegang tot het Koninkrijk van God in gevaar brengt? Met een uitspraak als deze stellen we ons formeel onder het gezag van de Schrift, maar lijkt de indruk gewekt te worden dat we genadiger en bewogener zouden willen dan God zoals Hij Zich openbaart in Zijn Woord.

Van de voorstanders van acceptatie van homoseksuele praktijken had ik ook meer verwacht. O.a. het argument van de “tegemoetkomendheid” van God werd naar voren gebracht. Daarbij kwam het verbod op het trouwen van een man met zijn schoonzuster, de vrouw van zijn broer, ter sprake (Lev. 18:16 en 20:21). Immers, in Deut. 25:5 lijkt dit opeens wel te worden toegestaan. Dit werd als “tegemoetkomendheid” van God gepresenteerd (zie ook pag. 38 van bron 2, p. 38).

Deze redenering vind ik persoonlijk wat merkwaardig. In Lev. 18:16 en 20:21 lijkt toch duidelijk uit de situatie dat de betreffende broer nog in leven. Zijn vrouw is dus “bezet”. Vanzelfsprekend hoor je in een dergelijke situatie van de vrouw van je broer af te blijven.

In Deut. 25 is de situatie duidelijk anders. De man is gestorven. Zijn vrouw is nu weduwe. In dat geval is de andere broer eigenlijk verplicht om met zijn schoonzuster te trouwen. Hun eerste zoon zal gelden als zoon van de overleden broer, zodat de naam van de broer niet zal uitsterven onder het volk Israël (Deut. 25:6). Bovendien bood het huwelijk de schoonzus ook bescherming. Het lijkt mij dat een alleenstaande man vrij is in het huwen van de vrouw van zijn overleden broer.

Hoe je dit zgn. “zwagerhuwelijk” als voorbeeld van “tegemoetkomendheid” van God zou moeten beschouwen is mij onduidelijk. Zeker als je dit wilt doortrekken naar de acceptatie van homoseksuele relaties. Ik zie dit argument dan ook als een expliciete erkenning dat de Bijbel homoseksuele relaties afwijst.

Overigens is de gemeenschap van Juda met zijn schoondochter Tamar (Gen. 38) verwerpelijk. Tamar is weduwe voelde kennelijk geen andere keuze dan op deze manier haar recht te halen. Een beroep op Lev. 18:15 en 20:21 is m.i. opmerkelijk omdat Leviticus duidelijk lang na de gebeurtenis in Gen. 38 werd opgeschreven. Maar ook in dit geval is de situatie bijzonder. Juda heeft geen gemeenschap met zijn schoondochter terwijl haar man, zijn zoon, nog in leven is. Ondanks dat blijft het verwerpelijk en ik heb ook niet de indruk dat de Bijbel ook op maar enige wijze deze situatie “billijkt”. Het feit dat deze situatie in de Bijbel genoemd wordt (evenals bijv. met een zekere ironie Salomo met zijn 1000 vrouwen (1 Kon. 11:3)) kan m.i. lastig als een voorbeeld van “tegemoetkomendheid” gelden. De in de Bijbel genoemde soms ernstige fouten van heiligen als koning David en koning Salomo zouden niet op deze wijze niet misbruikt mogen worden.

Door een deelnemer die zich voorstelde als predikant werd de vraag gesteld of je als kerkenraad een homoseksuele relatie zou kunnen accepteren waarin wel intimiteit en seksualiteit aanwezig is, maar geen penetratie. Hoe zou je dit bijvoorbeeld willen “controleren”? Het lijkt me nogal lastig om dit onderwerp bijv. tijdens het huisbezoek ter sprake te stellen. Daarnaast zou je een dergelijke standpunt dan ook moeten toestaan bij heteroseksuele stellen die (nog) niet getrouwd zijn. Bovendien, als penetratie het criterium zou zijn, waarom zou Paulus dan ook expliciet in Rom 1 lesbische relaties afwijzen (Rom. 1:26-27)? Hoe goed bedoeld ook, m.i. loopt een dergelijk standpunt uiteindelijk uit op een heilloze weg. Het lijkt mij veilig om ver weg van de grenzen die God ons stelt te blijven dan allerlei kennelijke uitzonderingposities te zoeken.

Dat we als kerken oog moeten hebben voor het verdriet en pijn die onze homoseksuele medemens met zich meedraagt mag duidelijk zijn. Maar dat verandert niet aan wat er in de Bijbel over dit onderwerp toch zo duidelijk gezegd wordt. En die schrijft alleen het monogame huwelijk tussen alleen man en vrouw voor (Gen. 1:26-27; 2:18-24; Matth. 19:1-9; Mark. 10:1-12) voor. En wijst unaniem alle homoseksuele praktijken in de breedste zin van het woord af (Gen. 19; Lev. 18:13; 20:13; Rom. 1; 1 Kor. 6:9-11; 1 Tim. 1:10). Tegelijk mogen wij nooit onze homoseksuele medemens afwijzen en zeker niet op hem/haar neerzien.

Ik ben er van overtuigd dat God, de Schepper van hemel en aarde, en ook de mens, het welzijn van de mens op het oog heeft gehad met Zijn verbod op homoseksuele praktijken. Zo heeft God het niet bedoeld en gewild. Homoseksuele relaties lijken volgens onderzoeken bijvoorbeeld een grotere kans op diverse gezondheidsklachten met zicht mee te brengen (zie bijv. bron 3 en bron 4 en bron 5). God geeft dit verbod uit Zijn Vaderlijke liefde en zorg voor de mens.

Dat de kerken vaak niet goed of zelfs verkeerd hebben gereageerd op de homoseksuele medemens mag duidelijk zijn. Maar het lijkt mij niet juist om de kerk of de maatschappij vanwege het gebrek aan acceptatie van homoseksuele praktijken alleen de schuld te geven van de diverse gezondheidsklachten en suïcides. De conclusie van het NEMESIS-1 onderzoek, dataverzameling 1996 is: “Psychiatrische stoornissen kwamen vaker voor bij homo- dan bij heteroseksuele personen“. De conclusie van het NEMESIS-2 onderzoek, dataverzameling 2007-2009, is: “Er bleken geen significante veranderingen opgetreden te zijn vergeleken met de studie uit 1996, ondanks een toename in de acceptatie van homoseksualiteit in de tijd tussen beide studies, en de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor stellen van gelijk geslacht“. Ondanks de behoorlijk toegenomen acceptatie van homoseksualiteit in zowel de maatschappij als vele kerken is het aantal psychiatrische stoornissen bij homoseksuelen niet gedaald!

Paulus noemt in 1 Kor. 6:9-10 een aantal zonden waarvan de bedrijvers geen deel hebben aan het Koninkrijk van God: “Ontuchtplegers, afgodendienaars, overspeligen, schandknapen, knapenschenders, dieven, geldwolven, dronkaards en uitbuiters“. In vs. 11 gaat hij verder: “Sommigen van u zijn dat ooit geweest, maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God“. Sommigen in de gemeente van Korinthe bedreven dergelijke zonden, maar nu, door de kracht van het geloof in de Here Jezus, niet meer.

De studiedag heeft mijn standpunt dat kerk en acceptatie van homoseksuele praktijken niet samen kunnen gaan, het eeuwenoude standpunt, dan ook niet kunnen veranderen. Alleen heilige kerk kan voor iedereen een veilige kerk zijn.

Comments are closed.