“Spannende vragen” van dr. J. Dekker

In het twee-wekelijks blad van de Nederlands Gereformeerde Kerken, Opbouw, verscheen een drietal artikelen van dr. J. Dekker over Genesis 1. De link naar de drie artikelen vindt u hieronder.

1. http://www.opbouwonline.nl/artikel.php?id=5206

2. http://www.opbouwonline.nl/artikel.php?id=5542

3. http://www.opbouwonline.nl/artikel.php?id=8951

Uit de artikelenserie is duidelijk dat dr. J. Dekker Genesis 1 niet ziet als een vertelling van echt gebeurde geschiedenis van het ontstaan van hemel en aarde. Hij schrijft in het eerste artikel: “Ook wat Genesis 1 ons vertelt is namelijk geen wetenschap, maar wil eerst en vooral boodschap zijn.“.

In dit artikel worden de argumenten die dr. J. Dekker daarvoor aandraagt nader bestudeerd.

Artikel 1

De inzichten van dr. Ellen van Wolde zijn inderdaad niet zo nieuw. In het boek “Systematic Theology” van dr. Louis Berkhof kunnen we al lezen dat het Hebreeuwse woord voor “scheppen” ook “scheiden” kan betekenen. In Gen. 1 is die betekenis niet waarschijnlijk.  De gehele Bijbel, incl. Gen. 1, leert ons duidelijk dat al het waarneembare door het scheppend handelen van de eeuwige en almachtige God uit niets geschapen is.

Bij de stellingname van dr. Van Wolde blijft de vraag waar de materie die gescheiden wordt, vandaan komt. Is ook geschapen door God? Of is de materie eeuwig?

Blikversmalling

Volgens dr. Dekker mogen we Gen. 1 niet “teveel vanuit een historische vraagstelling benaderen”. Immers: “Een bredere blik op oudtestamentische scheppingsteksten leert bovendien dat het meestal poëtische teksten zijn waarin over de schepping gesproken wordt en dat dit spreken vaak in een hymnische setting staat”.

Dat een aantal scheppingsteksten in het O.T. poëtisch van aard zijn, is geen argument dat we Gen. 1 (dat duidelijk niet poëtisch maar verhalend van aard is) niet als een waar gebeurd historisch verhaal moeten benaderen.

De uittocht uit Egypte wordt in Ex. 12:29-42 als een historisch verhaal beschreven. In bijv. Ps. 78, 105 en 136 worden de dezelfde uittocht op dichterlijke wijze beschreven. Is dat een aanwijzing dat we Ex. 12:29-42 niet te “teveel vanuit een historische vraagstelling” moeten benaderen?

In bijv. Ps. 8, 19, 33, 135 en 136 wordt op dichterlijke wijze verwezen naar het scheppingsverhaal in Gen. 1 als echt gebeurde geschiedenis. Zou dat werkelijk een aanwijzing zijn dat we Gen. 1 niet te “teveel vanuit een historische vraagstelling” moeten benaderen?

Bescheidenheid

Dr. Dekker voelt zich aangesproken door wat God Job vraagt: “Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet?” (Job 38:3-4). Geen mens was er bij toen God hemel en aarde schiep. Het scheppingswonder is inderdaad te groot voor ons om te bevatten. Toch is dat geen argument om Gen. 1 niet als waar gebeurde geschiedenis te zien. We geloven en belijden immers dat de gehele Bijbel, van Genesis tot en met de Openbaring aan Johannes, door God geïnspireerde tekst is. Dat er geen mens aanwezig was bij de eerste scheppingsdagen sluit niet uit dat God door openbaring aan mensen heeft bekend kunnen maken hoe Hij hemel en aarde in zes dagen heeft geschapen. Blijkbaar heeft God aan Zijn knecht Mozes (die volgens het getuigenis van de Bijbel de auteur is van de eerste vijf boeken van de Bijbel) bekend gemaakt hoe Hij hemel en aarde schiep. Dat we die openbaring van God op schrift hebben, moet inderdaad bij ons “een grondhouding van bescheidenheid” opwekken. Die bescheidenheid zou m.i. moeten betekenen dat we Gen. 1 accepteren als geopenbaard door God en lezen zoals deze blijkbaar door de schrijver (Mozes) bedoeld is: verhalende vertelling van het ontstaan van hemel en aarde.

Wat Dr. Dekker vergeet is dat de vraag van God aan Job niet gaat om hoe de schepping tot stand is gekomen. Job zal er niet aan getwijfeld hebben dat de schepping door Gods handelen alleen tot stand is gekomen. Of Job de beschrijving van Mozes in Genesis heeft gekend, weten we niet. De vraag van God aan Job is of hij er bij was toen God hemel en aarde schiep. En deze vraag moeten we lezen in de context van het gehele Bijbelboek Job. Ondanks dat Job God oprecht dient overkomt hem een onbeschrijfelijk lijden. Job ervaart dit als onrechtvaardig van God. De vrienden van Job denken dat hij een verborgen zonde heeft begaan. Maar ook zij kunnen hem uiteindelijk geen antwoord geven op de vraag van het waaromvan zijn lijden. Na lang lijden en redeneren komt dan het antwoord van God. Maar God geeft Job in feite geen antwoord op zijn vraag. God vraagt Job om zich met Hem te meten. God wil van Job antwoorden op Zijn vragen. En één van die vragen is waar Job was toen God de aarde schiep. Job weet immers zo veel?

Is dat alleen de taak van de natuurwetenschappers om de werken van de Heer te onderzoeken? In de natuurwetenschap wil men alles door natuurlijke processen en natuurwetten verklaren. Voor de scheppende hand van de God van de Bijbel is in de seculiere natuurwetenschap géén plaats. In ieder geval géén plaats van betekenis. De seculiere natuurwetenschap kan onze inzichten over de schepping verrijken. Maar of de seculiere natuurwetenschap ons kan vertellen hoe de werkelijkheid die wij waarnemen tot stand is gekomen, dat is maar de vraag. De aanname van dr. Dekker (“Ook wat Genesis 1 ons vertelt is namelijk geen wetenschap, maar wil eerst en vooral boodschap zijn”) is een onbewezen stellingname die geen steun vindt in de tekst van Gen. 1. De stellingname wekt de schijn op dat de inzichten van natuurwetenschapper ons beter kunnen leren hoe de schepping tot stand gekomen is dan het getuigenis van de door Gods Heilige Geest geïnspireerde schrijver.

Het is daarom maar de vraag of het getuigt van “bescheidenheid” om het getuigenis van Gen. 1 als betrouwbaar overgeleverde geschiedenisvertelling naast je neer te leggen en het uit te spelen tegen Job 38:4. Je zou kunnen vragen: hoe komt het dat de moderne wetenschappelijke theoloog weet dat Gen. 1 niet een betrouwbaar verslag is van wat vroeger gebeurd is? Was hij er soms zelf bij? Kan hij aantonen d.m.v. onderzoek en experimenten dat het door God geïnspireerde getuigenis van Gen. 1 niet waar gebeurd is?

Traditionele uitleg

De eerste twee verzen van Gen. 1 zijn in de vertaling van de NBV als volgt:

1 In het begin schiep God de hemel en de aarde.
2 De aarde was nog woest en doods,
en duisternis lag over de oervloed,
maar Gods geest zweefde over het water.

Hoe moeten we de woorden “woest en doods” (“woest en ledig” in de vertaling NBG1951) lezen? Volgens dr. Dekker is de traditionele uitleg, dat vs. 1 “de schepping uit niets beschrijft” en vs. 2 “het eerste resultaat daarvan”, niet juist. Zijn vraagstelling is: “Hoe kan een door God geschapen aarde ooit een aarde zijn waarin de chaos heerst?”. Volgens de traditionele uitleg betekent “woest en doods” dat de aarde nog niet bewoonbaar was.

Het is goed om te bedenken dat het woord “chaos” (dat door dr. Dekker gebruikt wordt als interpretatie van “woest en doods”), niet in de tekst van Gen. 1 voorkomt. Het woord “chaos” kan in ons taalgebruik een negatieve bijklank hebben, in de zin van chaotisch of wanordelijk. In de tekst van Gen. 1 is er niets dat er op wijst dat in vs. 2 sprake is van een “chaos”. Deze woordencombinatie komt nog twee keer in het O.T. voor, in Jer. 4:23-26 en Jes. 34:11. Maar in die gedeelten is de waarschijnlijke betekenis onbewoonbaar.

Volgens dr. Dekker moet “woest en doods” als “chaos” worden gelezen omdat “de kleuren van vers 2 zijn donkerder dan de klassieke uitleg veronderstelt”. Dit is een merkwaardig argument. Blijkbaar gaat hij er vanuit dat Gen. 1 een poëtisch is, terwijl daarvoor geen aanwijzingen zijn. Gen. 1 is, zoals uit de Bijbeltekst zelf blijkt, verhalend bedoeld. In de vertaling van “woest en doods” moeten we ons dan ook niet laten leiden door de regels van de (seculiere) literaire wetenschap. Het is beter om ons bij het lezen en begrijpen van de Bijbel te laten leiden door de tekst van de Bijbel zelf.

De combinatie “hemel en aarde” ziet op een ordening in de kosmos. Maar welke ordening? De ordening “hemel en aarde” sluit niet uit dat de aarde zelf nog “woest en doods” is.

Er is m.i. geen sprake van een “spanning” in de “klassieke uitleg” tussen de eerste twee verzen van Gen. 1.

Opschrift

Volgens dr. Dekker is Gen. 1:1 een opschrift voor de rest van het hoofdstuk. Ook oudtestamenticus dr. Bruce Waltke beweert dit. Voor deze aanname worden echter geen bewijzen gegeven. Er zijn voldoende argumenten dat Gen. 1:1 geen opschrift maar een logische onderdeel van het gehele hoofdstuk is:

  1. de formulering is verhalend en niet die van een opschrift.
  2. het voegwoord “en” waarmee het tweede vers (Gen. 1:2) begint, verbindt Gen. 1:1 aan Gen. 1:2. Het lijkt niet waarschijnlijk dat een verhaal begint met het voegwoord “en”. Het voegwoord “en” waar Ex. 1:1 mee begint is een indicatie dat Exodus een direct vervolg is op Genesis. Het lijkt daarom overigens ook niet waarschijnlijk dat Gen. 22:1 alleen een opschrift is.
  3. Gen. 1:2 spreekt over de al geschapen aarde; het is logisch dat in Gen. 1:1 over de schepping van de aarde wordt gesproken.
  4. In Gen. 1:1 wordt eerst gesproken over de “hemel”, en als tweede over de “aarde”. Maar in de daaropvolgende verzen lijkt alles, zelfs de zon, maan en sterren, in het teken te staan van de aarde. Als Gen. 1:1 alleen een opschrift zou zijn, dan zou de volgorde niet overeenkomen met de volgende verzen in Gen. 1.

Gen. 1:1 vertelt over de schepping van “hemel en aarde”. In Gen. 1:2 lezen we hoe de aarde is na Gen. 1:1, toen Gods scheppend handelen de aarde tot stand had gebracht. En in de daarop volgende verzen lezen we hoe God de aarde geschikt maakt om bewoond te worden door planten, dieren, en mensen.

Als Gen. 1:1 werkelijk een opschrift is, dan is het wel een merkwaardig opschrift omdat het in Gen. 1:2 e.v. niet gaat over een historische schepping (en in Gen. 1:1 wel).

Chaostoestand

Volgens dr. Dekker vertelt Gen. 1 ons als eerste “dat er een soort chaostoestand heerste, voordat God zijn eerste scheppingsdaad verrichtte”. En verder: “Die chaostoestand is niet door God geschapen, maar veronderstelt Genesis 1 als een gegeven voordat God zei dat er licht moest komen.”

Dat roept natuurlijk de vragen op. Waar komt die “chaostoestand” dan vandaan? Van God kan die niet komen, want die chaostoestand heerste er “voordat God zijn eerste scheppingsdaad verrichtte”.

Door Gen. 1 als poëzie te lezen, en niet als een historische vertelling, zoals dr. Dekker dat doet, lost deze vraag niet op. Immers, bij dr. Dekker is dit het (tot nog toe) onbewezen uitgangspunt, die geen basis in de tekst van Gen. 1 heeft. Dat “in heel het Oude Nabije Oosten” (de heidense volken die onbekend waren met God en Zijn geopenbaarde Woord!) men uitging van “een sluier over het begin” hoeft niet te betekenen dat de geïnspireerde schrijver Mozes dit uitgangspunt heeft overgenomen. Er is geen enkel bewijs dat de Israëlieten in het Oude Nabije Oosten uitgingen van “een sluier over het begin”. Zij zouden, met het boek Genesis in de hand, daartoe geen enkele aanleiding hebben. Er is weinig onzekerheid over hoe de Joden Genesis 1 hebben gelezen: als een historisch verslag van de schepping door God die een enkele duizenden jaren geleden in zes dagen plaatsvond.

Chaos en evolutieleer?

Gen. 1 biedt geen enkele ruimte voor een voorwereld. En ook niet voor de evolutietheorie. De scheppingsvolgorde in Gen. 1 is anders dan de volgorde van het vermeende ontstaan van de soorten volgens de evolutietheorie. Als we Genesis zien als een betrouwbaar geschiedenisverhaal, dan is de leeftijd van de aarde ongeveer 6.000-10.000 jaar oud. Dat is niet in overeenstemming met de leeftijd van het heelal (14,5 miljard jaar) en de leeftijd van de aarde (4,5 miljard jaar) volgens de seculiere natuurwetenschap.

Conclusie

Dr. J. Dekker heeft tot nog toe geen overtuigende bewijzen (uit de Bijbel en natuurwetenschap) gegeven om Gen. 1 anders te lezen dan als een verslag van echt gebeurde zaken. Het is eigenlijk opvallend hoeveel dingen dr. Dekker beweert, zonder daarvoor relevant en afdoende bewijs aan te dragen.

Veel argumenten die dr. Dekker aandraagt om Genesis 1 niet als geschiedenis te zien kunnen waarschijnlijk door een eenvoudige gelovige die zijn Bijbel kent, zonder enkele probleem vanuit Gods Woord worden weerlegd. Ervan uitgaande dat Gods Woord waar is, en geen tegenstrijdigheden bevat, en dat alle menselijke inzichten, ook de wetenschappelijke, aan de Bijbel getoetst moeten worden. Waarom dr. Dekker Gen. 1 niet wil zien als een historisch verslag blijft daarom onduidelijk. Helaas wil dr. Dekker op die “spannende” vraag geen antwoord geven.

De gelovige, voor wie de Bijbel de hoogste en enige waarheid en autoriteit is, kan daarom Gen. 1 het beste (blijven) zien als het verslag van een echt gebeurd historisch verhaal.

Naschrift: volgens ds. W. van Dijk (NGK Kampen) valt wat dr. Dekker beweerd onder “exegetische vrijheid“. Tja, dat is ook een handige manier (maar vooral ook erg gemakkelijke manier) om je er zonder, inhoudelijk op in te gaan, van af te maken.

Ds. W. van Dijk vroeg mij, duidelijk geërgerd, waarom ik dit allemaal schrijf. Immers, volgens zijn zeggen is dr. Dekker een “gelovig mens” en goed op de hoogte van “buiten Bijbelse bronnen“.

Het is niet aan mij om over iemands geloof een oordeel te vellen. Dat ga ik ook niet doen. Maar ik mag toch wat een ander openlijk schrijft, aan een kritisch oordeel onderwerpen?  Deden de Bereërs dat ook niet zelfs met wat de apostelen leerden (Hand. 17:11)?

Als we wat dr. Dekker beweerd, toetsen aan de Bijbel, levert dat wel “spannende” vragen op. M.i. hebben gemeenteleden ook recht op dergelijke, kritische, informatie.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *