Preek van een dominee over Gen. 19: Sodom en Gomorrah

In de middagdienst van zondag 13-11-2016 hield beluisterde ik een preek over Gen. 19, de bekende geschiedenis van Sodom en Gomorrah.

De preek roept, ondanks de diverse interessante elementen, toch ook vragen op. Ik citeer en bespreek het volgende uit de preek:

De preek roept, ondanks de diverse interessante elementen, toch ook vragen op. Ik citeer en bespreek het volgende uit de preek:

In het oosten, en zeker in het oude oosten, stond de gastvrijheid hoog aangeschreven”.

Maar ze [de engelen] laten zich kennelijk toch overhalen. Ze gaan mee met lot naar zijn huis. en precies dat maakt dat de goddeloosheid van de inwoners nog sterker uit de verf komt, want de mannen van Sodom zijn zo brutaal om nota bene het huis van Lot te belagen, op zijn poort te bonken en te zeggen kom eens op die mannen die je hier in huis hebt die willen wij hebben, die willen wij nemen, seksueel nemen. Ze willen ze verkrachten, voor de deur van Lot, en wie weet, ook nog vermoorden. Nou, dat is wel een heel grove schending van het gastrecht. En dit gaat wel heel erg in tegen het karakter van God die wil dat wij ons ontfermen over de vreemdeling, over de weduwe en de wees. En dat er dan ook een vorm van seksualiteit aan te pas komt die ingaat tegen de natuurlijke orde onderstreept dat nog eens ook. Wat dat laatste betreft, we moeten goed voor ogen houden dat het hier niet over homoseksualiteit gaat die voorkomt uit homofilie. Anders gezegd, het gaat niet over homoseksualiteit die voorkomt uit het feit dat iemand als homo is geboren. Dat blijkt ook heel duidelijk uit dit verhaal. Want het verhaal zegt met nadruk dat alle mannen van de stad erbij betrokken waren. Alle mannen, jong en oud, iedereen. Nou, dat kan natuurlijk niet anders betekenen dan dat het heteroseksuelen waren die tegen hun natuur in het met mannen wilden doen. ’t Is dan ook onrechtvaardig om dit hoofdstuk te plakken op mensen die homofiel zijn. Mensen die bij zichzelf ontdekt hebben dat ze een homofiele gerichtheid hebben. Ik geloof wel dat de homoseksuele handelingen waarop gedoeld wordt als tegennatuurlijke handelingen gelden en als zodanig bij het negatieve beeld horen wat hier geschetst wordt. Maar verder dan dat gaat het hier niet. Het gaat hier om geweld. Het gaat hier vooral om het meest grove schending van het gastrecht die je maar kunt voorstellen. En niet specifiek om het homoseksuele element daarin. En dat zeg ik ook met in gedachte hoe elders in de Schrift over wordt gesproken hoewel dat ook wel weer gevarieerd is. Het is maar als je bijvoorbeeld leest hoe de profeet Ezechiël spreekt over de zonde van Sodom en Gomorrah, dan zul je zien dat Ezechiël het vooral heeft over het geweld tegen de zwakkere. Over een stad die zichzelf sterk vond, hoogmoedig was en de arme onderdrukte. U kunt dat nalezen in Ezechiël 16.

Het lijkt wel duidelijk dat volgens de preek de zonde van Sodom en Gomorrah alleen nog bestaat uit het schenden van het “gastrecht“. “Ze willen ze verkrachten voor de deur van Lot, en wie weet ook nog vermoorden“. Dat de mannen van Sodom van Gomorrah inderdaad de bedoeling hadden om seksuele gemeenschap met de engelen te hebben, mag duidelijk zijn. Maar nergens lezen we in het Bijbelgedeelte dat ze hen misschien “ook nog vermoorden” wilden. Nergens in de gehele Bijbel waar naar Sodom en Gomorrah wordt verwezen, vinden we deze gedachte van terug (Gen. 10:19; 13:10, 12-13; 14:2, 8, 10, 11, 12, 17, 21, 22; 18:20,22, 26; 19:1, 4, 24, 28; Deut. 29:23; 32:32; Jes. 1:9-10; 3:9; 13:19; Jer. 23:14; 49:18; 50:40; Klaagl. 4:6; Ez. 16:46, 48, 49, 53, 55, 56; Amos 4:11; Zef. 2:9; Matth. 10:15; 11:23, 24; Mark. 6:11; Luk. 10:12; 17:29; Rom. 9:29; 2 Petr. 2:6; Judas 7; Openb. 11:18 (zie ook 4 Ezra 2:8; 5:7; Wijsheid 19:13)). Zo wordt dat wat in Sodom en Gomorrah m.i. onnodig erger gemaakt dan het al was.

Verder is het maar de vraag of de mannen van Sodom en Gomorrah de engelen op gewelddadige wijze wilden “verkrachten“. Deze opvatting is niet waarschijnlijk, en wel om o.a. de volgende redenen:

  1. Het Hebreeuwse woord “yada” (lett.: “(leren) kennen“) in  vs. 5, vertaald met:
    a.  “willen nemen” in de NBV 2004
    b. “gemeenschap hebben” in de NBG 1951
    c. “bekennen” in de SV
    heeft nergens de notie van “misbruik” of “gewelddadig”.
  2. Het OT gebruikt andere woorden als het gaat om verkrachting:
    a. In Gen. 34:2 lezen we dat de Sichem Dina, de dochter van Jakob “overweldigt” (Hebr. “laqach”) en haar “verkracht” (Hebr. “shakav ‘anah”).
    b. In 2 Sam. 13:14 lezen we dat Amnon zijn halfzuster “overweldigt” (Hebr. “chazaq”) en haar “verkracht” (Hebr. “shakav ‘anah”)
    c. In Deut. 22:25 lezen we dat als een man een meisje “belaagt” (Hebr. “chazaq”) en dan gemeenschap met haar heeft Hebr. “shakav”), de man dan als straf voor deze verkrachting gedood zal worden.
  3. Het is onwaarschijnlijk dat “yada” in vs. 5 alleen maar “(leren) kennen” zou beteken, terwijl enkele verzen later (8) de betekenis “verkrachten” is. Het is onwaarschijnlijk dat Lot zou zeggen: “Neem mijn dochters maar, die zijn nooit verkracht”.
  4. Het lijkt verder niet waarschijnlijk dat Lot tegen de inwoners van Sodom en Gomorrah zou zeggen: “Verkracht niet mijn gasten – verkracht mijn dochters maar, die zijn nog maagd”.

Er wordt gesteld dat homoseksualiteit “ingaat tegen de natuurlijke orde“. Wat daarmee bedoeld word is onduidelijk. Welke “natuurlijke orde“? Is homoseksualiteit dan ook verkeerd of zondig van aard?

Vervolgens volgt een erg merkwaardige redenering: “Wat dat laatste betreft, we moeten goed voor ogen houden dat het hier niet gaat over homoseksualiteit die voorkomt uit homofilie…. Dat blijkt ook heel duidelijk uit dit verhaal. Want het verhaal zegt met nadruk dat alle mannen van de stad erbij betrokken waren. Alle mannen, jong en oud, iedereen. Nou, dat kan natuurlijk niet anders betekenen dan dat het heteroseksuelen waren die tegen hun natuur in het met mannen wilden doen“.

Hoe kan nu met zekerheid uit het feit “dat alle mannen van de stad erbij  betrokken waren” afgeleid worden dat het alleen heteroseksuelen waren die tegen hun natuur in het met mannen wilden doen“? Zou er in deze stad werkelijk geen één man zijn geweest “die als homo is geboren“, die homoseksueel is? Dat lijkt niet erg waarschijnlijk, en wel om o.a. de volgende redenen:

  1. in vs. 9 biedt Lot de mannen van Sodom en Gomorrah zijn twee dochters aan. Maar de mannen van Sodom en Gomorrah lijken weinig interesse voor vrouwen te hebben. Dit in tegenstelling tot de mannen in Gibea (Richt. 19). Een dergelijke houding lijkt niet te passen bij mannen die heteroseksueel zijn.
  2. in vs. 11 blijven de mannen van Sodom en Gomorrah zoeken naar de engelen om seksuele gemeenschap met hen te hebben, ondanks dat ze met blindheid zijn geslagen, tot ze uitgeput zijn.

Dat het in Sodom en Gomorrah alleen “heteroseksuelen waren die tegen hun natuur in het met mannen wilden doen” lijkt dan ook een onbewezen aanname die geen enkele grond vindt in de Bijbeltekst.

Overigens is er op dit moment nog géén enkel overtuigend bewijs dat personen met een homoseksuele aard worden geboren.

Verder wordt gesteld dat het in de zonde “niet specifiek om het homoseksuele element daarin” gaat. Toch lijken er wel voldoende aanwijzingen te zijn dat het “homoseksuele element” wel degelijk een belangrijke rol speelt, bijvoorbeeld:

  1. de Bijbel erkent enkel en alleen het door de God de Schepper Zelf ingestelde monogame huwelijk tussen man en vrouw. Alleen in deze relatie kan en mag seksualiteit beleefd worden (Gen. 2:18-24). De Here Jezus bevestigt het huwelijk tussen man en vrouw (Matth. 19:1-9; Mark. 10:1-12).
  2. de Bijbel wijst alle homoseksuele praktijken in de breedste zin van het woord onomwonden af (Lev. 18:22, 20:13; Rom. 1:24-28; 1 Kor. 6:10; 1 Tim. 1:10). In Lev. 18 zijn homoseksuele handelingen en bestialiteit de enige afzonderlijk uitgelicht en een “gruwel” (enkelvoud) genoemd worden. En in Lev. 20 homoseksuele handelingen en een man die slaapt met zijn schoondochter. Nergens in de Bijbel wordt op positieve wijze over homoseksuele praktijken gesproken. Homoseksuele praktijken gaan immers in tegen de uitdrukkelijke bedoeling van de God, de Schepper.
  3. in het genoemde Ezechiël 16 (SV) lezen we het volgende: 46 Uw grote zuster nu is Samaria, zij en haar dochteren, dewelke woont aan uw linkerhand; maar uw zuster, die kleiner is dan gij, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochteren. 47 Doch gij hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen. 48 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sodom, uw zuster, zij met haar dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochteren! 49 Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet. 50 En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had“. Het is opmerkelijke dat Ezechiël schrijft dat Sodom, naast het onderdrukken van armen, hoogmoedigheid en verhevenheid, “gruwelijkheid” (enkelvoud!) beging voor het aangezicht van God. De enkelvoud, die overeenkomt met wat we lezen in Lev. 18:22 en 20:13 is opmerkelijk en een sterke aanwijzing dat ook Ezechiël ook specifiek het “homoseksuele element” in de zonde van Sodom en Gomorrah aan de orde stelt. Ook de twee andere keren dat het woord “gruwel/gruwelijkheid” in het enkelvoud voorkomt in Ezechiël wordt naar zonden op seksueel gebied verwezen (Ezech. 22:11; 33:26).
  4. in Rom. 1:18 schrijft Paulus: “Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden“. Dit lijkt een verwijzing te zijn naar de straf die Sodom en Gomorrah overkwam. En verder is het duidelijk dat in Rom. 1:26-27 verwijst naar alle homoseksuele handelingen, niet alleen naar verkrachting.
  5. in 2 Petr. 2:6-7, 10 en Judas 7 wordt verwezen naar deze geschiedenis. We lezen in Judas 7 (SV): “Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs“. En in 2. Petr. 2:6-7, 10 (SV): “6 En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven; 7 En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft; … 10 Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren“. Volgens Judas en Petrus begingen de inwoners van Sodom en Gomorrah dus ook zonden op seksueel gebied.
  6. de geschiedenis van de exegese ondersteunt de gedachte dat het “homoseksuele element” in de geschiedenis van Sodom en Gomorrah wel degelijk een belangrijke rol speelt (Philo van Alexandria (Abraham 135-37 en Vragen over Genesis 4:37), Josephus (Antiquiteiten 1:200-201) en vroeg-Joodse teksten als Het Testament van Naphtali 3:4; Jubilee 16:5-6; 20:5-6; 2 Enoch 10:4; 34:1-2).

Dr. Andreas Köstenberger schrijft:

Ondanks de vele pogingen is het dus klip en klaar dat de reden van de vernietiging van Sodom en Gomorra geen heteroseksuele groepsverkrachting of een gebrek aan gastvrijheid was of welke andere zonde dan ook die losstond van homoseksualiteit (of wat voor zondige variant dan ook). Zoals we bij de bespreking van de pro-homoseksuele verklaringen van het verhaal reeds aangaven, ligt het veel meer voor de hand dat dé zonde waarom God deze mensen strafte de homoseksualiteit was. Daar zijn verschillende aanwijzingen voor.” (Andreas Köstenberger en D.W. Jones, God, huwelijk en gezin – Het Bijbels fundament, (Kampen: Voorhoeve, 2008) (Vertaling uit het Engels), pp. 207-208)

Dr. Robert A.J. Gagnon schrijft:

In sum, every piece of historical and literary evidence that can be broughtforward to assess the attitude of the narrator of the Sodom story towardman-male intercourse per se suggests a sense of abhorrence. Infact, there appears to be an interconnected ideational nexus in the OTas regards the issue of man-male intercourse, linking the Yahwisticmaterial in the Pentateuch, Deuteronomy and the Deuteronomistic History,the Levitical sex laws, and Ezekiel. These links are picked up also Pauland the authors of Jude and 2 Peter.

Kortom: de beschikbare historische en literaire aanwijzingen laten zien dat de schrijver van de geschiedenis van Sodom en Gomorrah met een zekere afkeer schrijft over seksuele gemeenschap tussen twee mannen. Zowel het “homoseksuele element” als het schenden van “gastrecht” spelen kennelijk een belangrijke rol in deze geschiedenis.

Een oordeel over de preek laat ik verder achterwege.

Comments are closed.