Consequente Gereformeerde theoloog is vervangingstheoloog?

Je bent geen consequente gereformeerde theoloog als je geen vervangingstheoloog bent“, een uitspraak van de driedubbel gepromoveerde W.J. Ouweneel in zijn afgelopen zaterdag gepresenteerde boek Het Israël van God. Ontwerp van een Israëltheologie.

Het lastige is bij dr. W.J. Ouweneel dat hij niet geheel onomstreden is. Zo heeft hij diverse uitspraken en boeken van vroeger teruggenomen vanwege veranderende inzichten. Was hij vroeger een jonge-aarde creationist, nu lijkt hij meer richting een soort agnosticisme te gaan wat betreft de schepping.

Joden en niet-Joden zijn fundamenteel verschillend, al worden ze door geloof en wedergeboorte één in Christus“. “De kerk zou een eigen project van God zijn, te beginnen bij Handelingen waar de Heilige Geest wordt uitgestort”. “De kerk bestaat dus niet in het Oude Testament“. “In de theologie van de vervanging liggen de wortels van het antisemitisme verborgen“. Opmerkelijke uitspraken.

Wat betreft de eerste uitspraak ga ik ervan uit dat Ouweneel met “Joden en niet-Joden” alleen bedoeld degenen de Here Jezus als Zoon van God en Heer en Heiland hebben aanvaard. Als dat zo is, dan lijkt mij dat er geen “fundamenteel” verschil meer kan zijn tussen beide.

Dat de kerk pas begonnen zo zijn in Handelingen 2 lijkt mij toch moeilijk vol te houden. Wie dit Bijbelgedeelte leest ziet het vol staan met aanhalingen uit het Oude Testament. De profeet Joël bijvoorbeeld profeteerde al van de uitstorting van de Heilige Geest over “alle vlees” (Joël 3:1-5). Deze belofte wordt als eerste vervuld in de Here Jezus (Matth. 3:13-16) zoals Petrus ook bevestigd in Hand. 2:33. Alleen wie zich in geloof bekeert tot Hem zal ook de Heilige Geest ontvangen (vs. 38). Van een (massale) bekering van niet-Joden lezen we in Hand. 2 nog niets.

Voor de Joden is het een grote verassing als ook niet-Joden de Heilige Geest ontvangen, zoals bij de Romeinse centurio Cornelius (Hand. 10). Sommige Joden vonden dat de niet-Joden die tot geloof kwamen zich ook moesten besnijden. In Hand. 15 wordt hierover door de apostelen gesproken. Jakobus vertelt hoe “God Zelf een plan heeft opgevat om uit de heidenen een volk te vormen dat Zijn Naam vereert” (Hand. 15: 14). En dat stemt volgens Jakobus overeen met woorden uit de profeet Amos (vs. 15-18; Amos 9:11-12). Een lastig citaat, maar het lijkt m.i. duidelijk dat het al vanaf het begin, ook in het OT, de bedoeling van God is geweest om ook niet-Joden bekend te maken met de eeuwige redding door Zijn Zoon de Here Jezus.

In Matth. 8:11-12 vertelt de Here Jezus dat “velen uit het oosten en westen zullen samenkomen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel, maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis“. In Rom. 9:6-13 maakt Paulus duidelijk dat niet ieder Israëliet, niet alle nakomelingen van Abraham werkelijk zijn kinderen zijn en behoren tot Israël. In 1 Kor. 10:1-5 spreekt Paulus over het volk Israël in het OT als “onze vaderen die door de wolk beschermd werden en door de zee trokken“. Ze dronken allen uit “de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus“. In Efeziërs 2:19-22 spreekt Paulus over de Nieuwtestamentische gemeente die gebouwd is op het fundament van de “apostelen en profeten”. In Ef. 3 vertelt hij van “het mysterie van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie” (Ef. 3:4-6). Paulus vertelt in Gal. 3 dat “zij die geloven kinderen van Abraham zijn” (vs. 7). En dat “de Schrift voorzien heeft dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: In jou zullen alle volken gezegend worden” (vs. 8). En in Gal. 6:16 over de Nieuwtestamentische gemeente als het “Israël van God”. Alleen degene die gelooft mag zich een “nakomeling van Abraham” noemen (Gal. 3:25-29). En van Abraham wordt getuigd dat hij in geloof vertrok naar het beloofde land Kanaän dat nog niet zijn eigendom was, maar dat “hij uitzag naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd” (Hebr. 11:9-12). Zijn nakomelingen zijn ontelbaar, als het zand der zee (Gen. 12:1-3; 15:5-6; 22:17; zie ook 32:12; Hebr. 11:12) waarvan we de vervulling lijken te zien in de grote menigte uit alle volken in Openb. 7:9-17. Petrus noemt de gelovigen een “uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volg dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijk licht” (1 Petr. 2:9-10). Een verwijzing naar diverse profetieën uit het OT.

Verder zien we in Handelingen dat de eerste Christenen (en die waren uit de Joden) niet een nieuwe gemeenschap wilden beginnen maar naar de synagoge bleven gaan. Maar al vroeg hadden de Joden besloten om degenen die beleed dat Jezus de Christus is uit de synagoge geworpen zou worden (Joh. 9:22). Velen van de oversten geloofden in de Here Jezus, maar durfden daar niet openlijk voor uit te komen omdat ze anders door de Farizeeën uit de synagoge gegooid zouden worden (Joh. 12:42). De apostelen gingen naar de synagoge (Hand. 13:14, 42-43; 14:1; 17:1, 7, 10; 18:1-28). Zoals ook Jezus altijd naar de synagoge en tempel ging (Joh. 18:20). Maar op een gegeven moment begint zich een scheiding af te tekenen tussen Joden en Christen (Hand. 19: en verder). De Joden wilden niets met de Christenen te maken hebben en begonnen zelfs actief mee te werken aan de vervolging van Christenen.

De kerk of gemeente vervangt niet Israël, of andersom. De kerk, de gemeente, hoe je het ook maar noemen wilt, zo is mij altijd geleerd, zijn de gelovigen van alle tijden, allen die de Here Jezus hebben aanvaard, Joden en niet-Joden. Dat laatste is belangrijk, omdat dit onderscheid dat sommigen zo graag willen maken van geen enkel belang is in het Koninkrijk van God (Gal. 3:25-29). En dat heeft niets, maar dan ook niets met “antisemitisme” te maken. Maar alles met waardering maar ook oprechte zorg voor iedere Jood die de Here Jezus niet heeft aangenomen. Joden worden uitdrukkelijk op geen enkele wijze van het heil uitgesloten. Alleen dat is al een reden waarom anti-semitisme geen enkele plaats kan en mag hebben binnen de Christelijke kerk.

Want God gaf Zijn beloften aan “Abraham en zijn nakomeling” (Gal. 3: 16). “Nakomeling” is in het enkelvoud en is van toepassing op Christus! En iedere gelovige, Jood en niet-Jood, heeft door de Nakomeling Christus deel aan Gods beloften (Gal. 3:25-29).

Een gereformeerde theoloog vervangt niet, maar wil juist bij elkaar houden wat de Schrift bij elkaar brengt: Jood en niet-Jood die geloven in de Here Jezus. Een consequente Gereformeerde theoloog zou daarom zeker geen “vervangingstheoloog” kunnen/moeten zijn. Ouweneel komt m.i. tot zijn onjuiste conclusies omdat hij van mening is dat de kerk pas ontstaan is in het NT en niet vanaf het begin in het OT. De scheiding tussen Christenen uit de Jood en niet-Jood moet daardoor krampachtig worden vastgehouden. Dan krijg je helaas een soort “scheidingstheologie“.

Lees de bespreking van dr. Stefan Paas in het RD. Lees de bespreking van ds. Dirk Visser in het RD.